Autisme Kenmerken

1A Kwalitatieve tekortkomingen in sociale wisselwerking

Dit staat bij 1A bij de DSM IV criteria:
kwalitatieve tekortkomingen in sociale wisselwerking zoals blijkt uit tenminste twee van de volgende:

  • opvallende tekortkomingen in het gebruik van meerdere non-verbale gedragingen zoals oogcontact, gezichtsuitdrukking, lichaamshouding, en mimiek(welke sociale wisselwerking regelt)
  • tekortkoming in het ontwikkelen van vriendschappen met leeftijdsgenoten in overeenstemming met het ontwikkelingsniveau
  • een gebrek in het spontaan delen van plezier,interesses, of prestaties met andere mensen, (bv., door een tekortkoming in het verduidelijken van interesses naar anderen mensen)
  • Een gebrek in sociale of emotionele wederkerigheid(bijv. doet niet actief mee aan eenvoudige spelletjes die men alleen moet doen; betrekt andere kinderen uitsluitend als “mechanisch hulpstuk” bij spelletjes)

We zullen deze een voor een bespreken.
Als je de eerste regel leest zul je je waarschijnlijk afvragen wat opvallend is. Eenmaal een ouder die de hele dag met het kind omgaat kan eerder iets opvallen dan een buitenstaander. Een onzeker kind kan bijvoorbeeld wegkijken als die onzeker is. Juist non-verbalen gedragen moeten opvallen. Tekortkomingen zijn zaken die niet kunnen opvallen, in die zin omdat het een gebrek is. Zo maakt iemand met autisme vaak geen oogcontact. De gezichtsuitdrukking of bewegingen die de lichaamshouding uitdrukken of wel mimiek zijn onderontwikkeld in die zin dat ze een achterstand hebben op andere kinderen van dezelfde leeftijd. Het is echter goed mogelijk dat deze achterstand op latere leeftijd wordt ingehaald of wel dat het minder opvalt. Stel je bent zelf 30 jaar oud en je partner is 25 is dat verschil kleiner dan als je 10 bent en je hebt een vriendinnetje van 5.

Nu over de tweede regel. Iemand met autisme heeft een ander ontwikkelingsniveau en zal dus ook makkelijker vriendschappen ontwikkelen met iemand met hetzelfde ontwikkelingsniveau. Bijvoorbeeld iemand anders met autisme. Het kan dat iemand met autisme geen vrienden heeft of jongere vrienden. Dit kan iemands behoefte zijn of een manier om plezier te delen. Dat is gelijk ook het 3e punt. Ze lopen achter in hun ontwikkeling en ook mensen met autisme hebben hun eigen plezier interesses of prestaties. Ook kan dit gedeeld worden met andere mensen. Bij autisme is sprake van een ontwikkelingsachterstand, dit kan bijvoorbeeld door een tekortkoming in het verduidelijken van interesses naar anderen. Maar beter is de uitleg dat iemand met autisme zijn eigen gedachte heeft, in zichzelf gekeerd is en niet goed tegen veranderingen kan. Vaak is het zo dat als er een autoriteit is daar wel goed naar geluisterd wordt, maar dat minder naar andere personen wordt geluisterd.
Bij punt 4 zal iemand met autisme wel sociale of emotionele wederkerigheid tonen, maar is hier sprake van een achterstand op de ontwikkeling. Nu heb ik hier niet echt een voorbeeld van. Maar iemand met autisme zal over het algemeen een minder actieve rol hebben bij spellen en minder of geen beslissingen nemen.